U bent hier

Veelgestelde vragen

Ten aanzien van het aangaan van een verbinding is onduidelijk op welk moment het ‘aangaan’ plaatsvindt. Is dit bijvoorbeeld op het moment van inschrijving in de Kamer van Koophandel, of het moment van het aangaan van een overeenkomst tot samenwerking?

Het aangaan van een verbinding vindt plaats op het moment dat een notaris dit bij akte vastlegt. 

Op welke wijze kunnen landelijk werkende en/of categorale corporaties voldoen aan de eisen met betrekking tot lokale verankering?

Voor landelijk werkzame of categorale instellingen  gelden dezelfde verplichtingen als voor andere corporaties ten aanzien van het sturen van een overzicht van voorgenomen werkzaamheden naar gemeenten en bewonersorganisaties en het uitnodigen tot het maken van prestatieafspraken. 

Op grond van de Woningwet is het toegestaan in bepaalde gevallen een verbinding aan te gaan. Dit kan zijn via een deelneming of dochtermaatschappij of via het aangaan van een ‘duurzame band’. Wat wordt er verstaan onder een duurzame band?

Er is sprake van een duurzame band, wanneer er aan een of meerdere van volgende criteria wordt voldaan:

  • de toegelaten instelling heeft stemrechten in de algemene vergadering;
  • er is sprake van een bestuurlijke band of financiële band, met dien verstande dat het uitsluitend verstrekken van financiering niet voldoende is om van een duurzame band te kunnen spreken;
  • de duurzame band kan uit de statuten van de verbinding (bijvoorbeeld een dochterstichting) worden afgeleid;
  • er is sprake van een duurzame band als bedoeld in artikel 2:24c lid 1 BW. Uit de memorie van toelichting op dat artikel kan worden afgeleid dat er een oogmerk moet bestaan om duurzaam verbonden te zijn. Hiermee wordt e.e.a. afgebakend ten opzichte van de “eenvoudige belegging”;
  • er is sprake van exclusieve invloed op de benoeming van het bestuur van de verbinding;
  • er is sprake van bezit van 100% van de aandelen.

Onder duurzame band wordt niet verstaan uitsluitend het hebben van een langdurige contractuele relatie, zoals bijvoorbeeld met een onderhouds- of schoonmaakbedrijf.

Op basis van welk type huur wordt volgens de Woningwet de scheiding DAEB/niet-DAEB gemaakt bij nieuwe verhuringen?

Het betreft de kale huur, exclusief servicekosten, waarbij de scheidslijn het bedrag van de liberalisatiegrens is, 710,68 euro (prijspeil 2015).

Op basis van het overgangsrecht mag ik voor het jaarverslag over 2015 nog de oude classificatie van DAEB en niet-DAEB gebruiken. Is het echter toegestaan om de nieuwe classificatie zoals deze volgt uit de Woningwet 2015 te hanteren?

Dit is toegestaan. Het overgangsrecht biedt de ruimte aan instellingen om de implementatie van o.a. deze wijziging voor het eerst ten behoeve van verslagjaar 2016 door te voeren. Het is juridisch echter mogelijk om ook over verslagjaar 2015 de nieuwe classificatie van DAEB en niet-DAEB te hanteren. Het wordt aangeraden dit wel in afstemming met uw controlerend accountant vorm te geven.

Nieuwe ontwikkelingen zijn toegestaan indien er op 1 juli 2015 al een aanvang is gemaakt met werkzaamheden (DAEB en niet-DAEB). Is hierbij nog van invloed of er een marktpartij is die ‘de ontwikkeling’ wil kopen en dus de gemaakte kosten overneemt?

Nee, wanneer het overgangsrecht van toepassing is, is dat niet van invloed. Dan hoeft er immers op basis van Artikel II, tiende lid van de Woningwet, geen markttoets plaats te vinden.

In het overgangsrecht is opgenomen dat alle activiteiten waarmee voor inwerkingtreding van de wet een aanvang is gemaakt of aanvang beoogd werd doorgang mogen vinden. Dat kan aangetoond worden met schriftelijke stukken die uitsluitend op die werkzaamheden betrekking hebben. In de Ministeriële Regeling (RTIV 2015, artikel 5) zijn de stukken aangewezen uit welke blijkt dat de toegelaten instelling beoogt een aanvang met bepaalde werkzaamheden te maken. Per 1 juli 2015 diende één van de volgende stukken aanwezig te zijn:

a. een aanvraag voor een omgevingsvergunning met betrekking tot de werkzaamheden, die is ingediend voor 1 juli 2015

b. een verleende zodanige omgevingsvergunning, voor zover een aanvang van de werkzaamheden wordt gemaakt binnen een termijn als bedoeld in artikel 2.33, tweede lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of

c. een schriftelijke overeenkomst waaruit blijkt dat een aanvang met de werkzaamheden wordt gemaakt binnen twee jaar na het betrokken tijdstip, bedoeld in onderdeel a, onder 1°, 2° of 3°. 

Mogen huurders met huurtoeslag voor het overgrote deel (95%) vanaf 2018 niet meer kiezen voor een woning boven de aftoppingsgrens? Hoe verhoudt zich dat tot de vrije keuze van een huurder en het verbod om minimum inkomenseisen te stellen?

De passendheidsnorm van 95% is vanaf 1 januari 2016 van kracht. Toepassen van de passendheidsnorm (95%-norm) betekent inderdaad dat deze huurders niet de vrijheid hebben om te kiezen voor een woning met een huurprijs boven de aftoppingsgrens, behoudens die gevallen waarin de corporatie gebruik zou willen maken van de 5%-marge. Met de maatregel wordt beoogd de huurder te beschermen tegen – in relatie tot zijn inkomen – te hoge huurprijzen. Ook nu al kunnen huurders die huurtoeslag ontvangen geen woning accepteren met een huurprijs boven de maximale huurgrens van de huurtoeslag. In de regeling van passend toewijzen, in het bijzonder bij de normstelling, is geen sprake van minimum inkomenseisen. Er wordt slechts getoetst aan de inkomensgrens in het kader van de Wet op de huurtoeslag (zie ook vraag 8.30).

Mogen corporaties, in samenwerking en verbinding met andere partijen, extra aan leefbaarheid doen ter voorkoming van radicalisering?

De taken van een corporatie liggen primair op het terrein van het wonen. Investeren in leefbaarheid hoort daarbij als het gaat om het bestrijden van overlast, een schone woonomgeving en veiligheid. Daarnaast mag de corporatie bijdragen aan woonmaatschappelijk werk, bijvoorbeeld via de achter-de-voordeuraanpak. Als op deze wijze kan worden bijgedragen aan het voorkomen van radicalisering, dan is dat een taak voor corporaties. Daarbij is echter nadrukkelijk aan de orde dat andere maatschappelijke organisaties een primaire taak hebben in het oplossen van deze problematiek. De corporatie draagt daar alleen aan bij.

Mogen corporaties nog sponsoren?

Nee. Sponsorcontracten aangegaan voor 1 juli 2015 mogen worden uitgediend. Als het contract een stilzwijgende verlenging bevat, moet de corporatie er op toezien dat die wordt beëindigd. Sponsoring is volgens de Woningwet niet toegestaan, met uitzondering van de in het BTIV genoemde initiatieven van bewoners waaraan de corporatie mag bijdragen.

Mogen corporaties energie leveren bij gemengde complexen, zoals met WKO-installaties, indien een deel van de woningen is verkocht aan voormalige huurders?

In de Memorie van Toelichting bij de wet is aangegeven dat corporaties in verband met het verduurzamen van de voorraad en het leveren van een bijdrage aan duurzaamheid in het algemeen, voorzieningen aan hun woningen mogen aanbrengen waarmee op een duurzame manier voorzien kan worden in het energiegebruik in de woning (zonnepanelen, grondwarmtepompen, warmte-koude opslaginstallaties e.d.). Dit mag ook als deze in, op of aan gebouwen zijn aangebracht in de buurt van het woningbezit. Het leveren van dergelijke diensten is ingeperkt tot voorzieningen in of nabij de woningen van corporaties. Dit impliceert ook woningen in uitgeponde complexen.

Pagina's