U bent hier

Veelgestelde vragen

Waar liggen exact de grenzen wat wel of niet onder ‘leefomgeving’ of ‘woongenot’ gerekend mag worden als het gaat om veiligheid, welzijn, gezondheid en hygiëne?

Corporaties mogen investeren in leefbaarheid. Woonmaatschappelijk werk (met inbegrip van het leveren van een bijdrage aan uitvoering van achter-de-voordeur-programma’s onder verantwoordelijkheid van andere maatschappelijke organisaties) is uitsluitend toegestaan als het de huurders van de woongelegenheden van de corporatie betreft. De achter-de-voordeur-problematiek kan samenhangen met welzijn, gezondheid of hygiëne van de huurders. De aanleg en onderhoud van kleinschalige infrastructuur in de directe nabijheid van woongelegenheden of andere onroerende zaken van de corporatie en bijdragen aan de uitvoering van plannen ter bevordering van een schone woonomgeving, ter voorkoming van overlast en ter bevordering van de veiligheid, is toegestaan als dit ten goede komt aan eigen huurders én bewoners van verkochte voormalige corporatiewoningen. De woonomgeving betreft dus de ruimte die direct grenst aan de eigen woningen en gebouwen dan wel de verkochte woningen. ‘Woongenot’ is subjectief. De corporatie kan optreden na klachten over de verstoring van het woongenot van haar huurders én in geval het verkochte woningen betreft. De openbare ruimte is nadrukkelijk het terrein van de gemeente, de algemene veiligheid is het terrein van de politie.

Waar kunnen bewoners heen voor hulp als een corporatie niet wil meewerken aan de totstandkoming van een wooncoöperatie, in welke vorm dan ook?

De Autoriteit woningcorporaties (Aw) zal toezicht houden op de activiteiten van de corporatie. Waar die activiteiten de wooncoöperatie raken, kan de Aw dan ook de betreffende regelgeving handhaven voor zover de corporatie regels overtreedt. De Aw is echter geen arbitrage-instituut dat geschillen beslecht tussen bewoners en corporaties. Indien het verkoopverbod wordt genegeerd, ligt het voor hand dat de initiatiefnemers dit melden bij de Aw, zodat deze hiervan op de hoogte is voordat toestemming wordt gegeven voor de verkoop. Weigert de corporatie 5.000 euro ter beschikking te stellen voor het opstellen van het coöperatieplan, dan kunnen initiatiefnemers dit eveneens melden bij de Aw. Dit zou uiteindelijk kunnen leiden tot een aanwijzing.

Waar kan ik terecht met vragen over de dPi of dVi?

U kunt met vragen over de dPi en dVi terecht op de website www.corpodata.nl. Op deze site staan de gegevensmodellen, uitgebreide toelichtingen daarbij en contactgegevens van de CorpoData helpdesk opgenomen.  

Waar is het maximum van 125 euro leefbaarheidsuitgaven per DAEB-woongelegenheid op gebaseerd?

Het bedrag van maximaal 125 euro per woongelegenheid ligt iets boven  de gemiddelde leefbaarheidsuitgaven in 2012 en 2013 volgens de cijfers uit de Verantwoordingsinformatie (dVi) en op basis van de daar gehanteerde definitie. Die definitie geldt voor alle corporaties. Bij de aanpassing van de dVi zullen ook de definities voor investeren in leefbaarheid worden aangepast op het besluit.

Op basis van de dVi is in 2013 het rapport opgesteld ‘Presteren Woningcorporaties. Volkshuisvestelijke prestaties verslagjaar 2012’, (Companen, Advies voor Woningmarkt en Leefomgeving, november 2013) en in 2014 het rapport ‘Volkshuisvestelijk Presteren van Woningcorporaties in 2013’, (ABF Research, december 2014). In deze rapporten komen respectievelijk de volgende gemiddelde bedragen per verhuureenheid naar voren: 2012 105 euro, 2013 112 euro. Companen heeft over 2012 aangegeven dat in de G4 en in de G27 hogere gemiddelde bedragen werden besteed (respectievelijk 146 en 136 euro). Gezien het uitgangspunt dat de toegestane leefbaarheidsactiviteiten zullen worden beperkt, volstaat het gemaximeerde bedrag van 125 euro per woongelegenheid. Onder dit plafond kunnen corporaties al naar gelang de lokale omstandigheden inspelen op de gevraagde diversiteit. In de wet is niet voorzien dat corporaties een hoger gemiddeld bedrag mogen besteden, ook niet in gemeenten met veel achterstandswijken. Corporaties kunnen in overleg met gemeenten prioriteiten stellen binnen een tijdsperiode of naar wijken. Het is de bedoeling dat onder andere gemeente, politie en andere maatschappelijke organisaties taken oppakken die primair bij hun competentie horen, maar die in het verleden geheel of gedeeltelijk door corporaties zijn opgepakt. 

Verplicht de woningmarktregio tot bestuurlijke samenwerking?

De bepaling van de woningmarktregio’s heeft uitsluitend betrekking op de afbakening van het werkgebied van woningcorporaties. De totstandkoming van een woningmarktregio is een verantwoordelijkheid vanuit de samenwerkende gemeenten gezamenlijk, zij bepalen dus de omvang en samenstelling van de woningmarktregio. Een woningmarktregio hoeft niet samen te vallen met andere samenwerkingsverbanden van gemeenten en er is evenmin een verplichting om andere samenwerkingsverbanden aan te gaan.

Tot welke instantie kan de huurdersorganisatie zich wenden als zij niet wordt betrokken in het overleg over prestatieafspraken?

Wanneer het voorgenomen werkzaamheden betreft, is de Overlegwet van toepassing en kan de huurdersorganisatie zich wenden tot de Huurcommissie. Het recht om aan tafel te zitten bij prestatieafspraken is geregeld in de Woningwet. De corporatie moet - indien de gemeente een woonvisie heeft - de huurdersorganisatie uitnodigen voor een overleg over prestatieafspraken. Indien dit niet gebeurt, kunnen er geen prestatieafspraken tot stand komen en kan de huurdersorganisatie zich wenden tot de minister voor geschilbeslechting. 

Ten aanzien van het aangaan van een verbinding is onduidelijk op welk moment het ‘aangaan’ plaatsvindt. Is dit bijvoorbeeld op het moment van inschrijving in de Kamer van Koophandel, of het moment van het aangaan van een overeenkomst tot samenwerking?

Het aangaan van een verbinding vindt plaats op het moment dat een notaris dit bij akte vastlegt. 

Op welke wijze kunnen landelijk werkende en/of categorale corporaties voldoen aan de eisen met betrekking tot lokale verankering?

Voor landelijk werkzame of categorale instellingen  gelden dezelfde verplichtingen als voor andere corporaties ten aanzien van het sturen van een overzicht van voorgenomen werkzaamheden naar gemeenten en bewonersorganisaties en het uitnodigen tot het maken van prestatieafspraken. 

Op grond van de Woningwet is het toegestaan in bepaalde gevallen een verbinding aan te gaan. Dit kan zijn via een deelneming of dochtermaatschappij of via het aangaan van een ‘duurzame band’. Wat wordt er verstaan onder een duurzame band?

Er is sprake van een duurzame band, wanneer er aan een of meerdere van volgende criteria wordt voldaan:

  • de toegelaten instelling heeft stemrechten in de algemene vergadering;
  • er is sprake van een bestuurlijke band of financiële band, met dien verstande dat het uitsluitend verstrekken van financiering niet voldoende is om van een duurzame band te kunnen spreken;
  • de duurzame band kan uit de statuten van de verbinding (bijvoorbeeld een dochterstichting) worden afgeleid;
  • er is sprake van een duurzame band als bedoeld in artikel 2:24c lid 1 BW. Uit de memorie van toelichting op dat artikel kan worden afgeleid dat er een oogmerk moet bestaan om duurzaam verbonden te zijn. Hiermee wordt e.e.a. afgebakend ten opzichte van de “eenvoudige belegging”;
  • er is sprake van exclusieve invloed op de benoeming van het bestuur van de verbinding;
  • er is sprake van bezit van 100% van de aandelen.

Onder duurzame band wordt niet verstaan uitsluitend het hebben van een langdurige contractuele relatie, zoals bijvoorbeeld met een onderhouds- of schoonmaakbedrijf.

Op basis van welk type huur wordt volgens de Woningwet de scheiding DAEB/niet-DAEB gemaakt bij nieuwe verhuringen?

Het betreft de kale huur, exclusief servicekosten, waarbij de scheidslijn het bedrag van de liberalisatiegrens is, 710,68 euro (prijspeil 2015).

Pagina's