U bent hier

Minister Blok: “Gemeente: pak je sleutelrol in de corporatievoorraad!”

Corporaties moeten zich richten op het huisvesten van de doelgroep: mensen met een smalle beurs. Op basis van de Woningwet scheiden corporaties vanaf 1 januari 2018 hun bezit in kernvoorraad en overige voorraad. Door de scheiding van het bezit, wordt voor iedereen duidelijk welke woningen voor lage inkomens zijn bedoeld, en welke woningen al dan niet op termijn niet meer tot de sociale voorraad behoren.

Met de zienswijze die gemeenten op het scheidingsvoorstel geven, hebben zij de sleutel in handen om in één keer grote invloed uit te oefenen op de samenstelling van de woningvoorraad. Minister Blok (Wonen en Rijksdienst) spoort de gemeenten dan ook aan om een zienswijze te geven. “Met de zienswijze kan de gemeente heel gericht invloed uitoefenen op niet alleen de voorraad voor de primaire doelgroep, maar ook de toegevoegde voorraad voor middeninkomens.”

Gemeenten kunnen volgens de minister hun wensen voor de woningmarkt meegeven aan de corporatie. “Als bijvoorbeeld blijkt dat er behoefte is aan woningen voor middeninkomens, kan de gemeente de corporatie aansporen meer te liberaliseren woningen over te dragen naar de commerciële tak of om te verkopen aan beleggers. Of als blijkt dat vooral behoefte is aan kleine, betaalbare appartementen voor de inkomensdoelgroep, kan de gemeente zorgen dat deze woningen behouden blijven.” Dit leidt er volgens Blok toe dat grotere, duurdere woningen op termijn kunnen worden verkocht waarmee geld vrijkomt om in een beter passende voorraad te investeren.

Het tijdpad is kort. Al in het najaar van 2016 moeten de gemeente haar zienswijze geven op het ontwerpvoorstel van de corporatie. Het ontwerpvoorstel wordt daarna, inclusief zienswijze en de reactie daarop, uiterlijk 1 januari 2017 door de corporatie ingediend bij de Autoriteit woningcorporaties. Blok: “Mijn oproep is dan ook: pak die sleutelrol met beide handen aan en zorg dat de corporatie in de toekomst zo goed mogelijk kan bijdragen aan het lokale volkshuisvestelijke beleid.”