U bent hier

Interview Marc Calon (voorzitter Aedes)

'Geef deze nieuwe wet de tijd'

‘De afgelopen twee jaar is er veel overlegd en heel hard gewerkt. Ik denk dat er nu een goede wet ligt’, begint Marc Calon, voorzitter van Aedes, de vereniging van woningcorporaties. Aedes is als belangrijke stakeholder nauw betrokken geweest bij de totstandkoming van de Woningwet 2015. Ruimte voor verbetering is er altijd, aldus Calon.

Wat zijn de belangrijkste gevolgen van de invoering van de nieuwe Woningwet voor woningcorporaties?

‘Bovenal zijn we blij dat de Woningwet er is gekomen. Er wordt al tien jaar gesproken over een herziening van de wet, nu is het dan inderdaad zover. Voor ons is het belangrijk dat de afspraken die wij met het kabinet hebben gemaakt zijn geïmplementeerd in de wet. Dat is nu voor 99 procent het geval, wat inhoudt dat we op hoofdlijnen tevreden zijn. Ook in de nieuwe situatie blijven wij ons inzetten om mensen met een “platte portemonnee” aan een woning te helpen, wat onder “diensten van algemeen economisch belang” (daeb) valt. Daarnaast kunnen wij niet-daeb-activiteiten ontplooien op plaatsen waar de markt het niet doet en de gemeente vindt dat het wel moet.’

De nieuwe wet treedt per 1 juli in werking. Wat vindt u de sterke punten van deze wet?

‘Ik ben blij dat er niet voor is gekozen om woningcorporaties als uitvoeringsorganisatie te laten dienen van de gemeente, wat ook een optie was. Gelukkig zijn de partijen nu gelijkwaardig. Daarnaast is het goed dat er geen verplichte juridische splitsing is tussen daeb- en niet-daeb-activiteiten; corporaties kunnen nu kiezen tussen juridische splitsing of administratieve scheiding. En belangrijker: corporaties met een omzet van minder dan 30 miljoen euro en 5% niet-daeb-activiteiten hoeven hun activiteiten zelfs helemaal niet te scheiden, wat enorm veel administratieve lasten scheelt. In mijn ogen een zeer goed keuze. Ik ben dan ook van mening dat deze wet niet te snel gewijzigd moet worden. Woningen en wijken bouw je niet voor een regeerperiode, dat is voor de lange termijn. Laat de wet voorlopig ongemoeid.’

Welke zaken binnen deze nieuwe wet zijn volgens u voor verbetering vatbaar?

‘Wat een probleem kan vormen in de implementatiefase, is de overgang bij projecten die al gestart zijn. De markttoets gaat ook gelden voor bestaande projecten, wat voor frustraties kan zorgen. Ik verwacht daarom dat er een dip in de uitvoering van deze projecten zal ontstaan in de komende periode. Ook hadden wij graag gezien dat de Autoriteit Woningcorporaties een onafhankelijke partij zou zijn, in plaats van een verlengstuk van de minister. Het aanstellen van een sterke, externe toezichthouder is een uitstekend idee. Dit moeten echter wel mensen zijn met kennis van de materie, geen mensen die alleen maar vinkjes zetten. Dat is vragen om moeilijkheden.’

De huurdersorganisatie wordt net als de gemeente een belangrijke gesprekspartner. Hoe ziet u de samenwerking met deze partijen tegemoet?

‘In de afgelopen periode zijn we voornamelijk met de gemeente al veel in gesprek geweest. Hoewel de samenwerking tussen de drie partijen prima verloopt, moet er nog wel hard aan gewerkt worden. Zo is het denk ik belangrijk dat de huurdersorganisatie representatiever wordt voor de doelgroep die zij vertegenwoordigt. Dat is nu nog te weinig het geval. Daarnaast moeten deze mensen geschoold worden, je mag niet van ze verwachten dat ze alles direct begrijpen. Die scholing vindt momenteel al plaats, maar net als de implementatie van de wet zelf, heeft dit tijd nodig.’

Hoe denkt u dat de niet-daeb-activiteiten zich zullen ontwikkelen onder de nieuwe wetgeving? Ziet u daar nog genoeg perspectief voor woningcorporaties?

Het gaat niet zozeer om perspectief voor corporaties, maar om wat er nodig is voor huurders en wijken. Zoals ik al aangaf, verwacht ik wel dat er een dipje zal komen in de niet-daeb-activiteiten, wat logisch is in de implementatiefase. Het verschil tussen woningcorporaties en marktpartijen is dat wij activiteiten ondernemen voor de huurders, terwijl marktpartijen rendement moeten halen. Ook wij moeten tot een bepaald niveau rendement halen, maar bij ons is geld secundair. Als er nu bijvoorbeeld een gebied met sociale huurwoningen wordt gesloopt, komt er meestal een gemengdere wijk voor terug: zowel goedkope als duurdere huur- en koopwoningen. Maar marktpartijen investeren niet in krimpgebieden of achterstandswijken. Daar liggen zeker opgaven waar woningcorporaties wat kunnen betekenen.’