U bent hier

Dialoog Indicatieve Bestedingsruimte Woningcorporaties (IBW)

De minister van Wonen en Rijksdienst geeft sinds 2016 jaarlijks voor 1 juli aan gemeenten en huurdersorganisaties een indicatie van de financiële middelen van corporaties voor de uitvoering van het volkshuisvestingsbeleid. De afgelopen weken vond op deze website een dialoog plaats, waarbij u onder meer kon aangeven wat u goed vindt en wat er beter kan aan de wijze waarop de cijfers van de IBW gepresenteerd worden.

Dank voor al uw bijdragen. Wij hebben alle suggesties meegenomen naar de rondetafelgesprekken met huurdersorganisaties, gemeenten en corporaties die de afgelopen twee weken hebben plaatsgevonden. Op dit moment onderzoeken we wat we precies met de bijdragen gaan doen. Via deze website komen we daar zo snel mogelijk op terug.

Het ministerie van BZK heeft eerder een tussentijdse reactie gegeven op de bijdragen die aan de dialoog zijn geleverd.

De dialoog is nu gesloten. U kunt niet meer reageren.

Reacties

De publicatie van de indicatieve bestedingsruimte heeft volgens ons geen bijdrage geleverd aan het overleg van de Huurdersbelangenvereniging, gemeente Dronten en Oost Flevoland Woondiensten (OFW). De indicatieve bestedingsruimte levert verwarring op bij stakeholders van OFW, doordat er bestedingsruimte voor de drie categorieën in één tabel voor nieuwbouw, verbeteringen en huurmatiging wordt gepresenteerd. Niet duidelijk is voor de stakeholders dat deze getallen afzonderlijk gezien moeten worden en dat het niet een optelsom is.

Zoals door de Autoriteit woningcorporaties ook is aangegeven is het niet prudent dat de berekeningen uitgevoerd zijn op basis van de absolute ondergrenzen (ratio’s) die door het WSW zijn gesteld. Het verdient aanbeveling om een vluchtstrook (de marge ten opzichte van de ondergrenzen) aan te houden bij de berekende bestedingsruimte. De nieuwe woningwet had als doel dat corporaties minder risico’s zouden nemen, dit roept op tot het opzoeken van de financiële ondergrens en het nemen van aanzienlijke risico’s. Hiermee geeft het ministerie een dubbel signaal.

Voor publicatie verdient het aanbeveling om de uitkomsten van de indicatieve bestedingsruimte aan de individuele corporatie voor te leggen, zodat eventuele onjuistheden in de brongegevens vermeden kunnen worden.

Truus Sweringa, Oost-Flevoland Woondiensten (OFW)

Dank voor deze feedback. Wij hebben bij de publicatie van de IBW een brief gestuurd aan gemeenten en huurdersorganisaties waar op de eerste pagina staat dat de getallen niet optelbaar zijn: dat het of / of is. Dat staat ook als inleiding op onze website. We vinden dat vanuit BZK een erg belangrijke notie. Kunt u ons helpen en uitleggen op welke manier wij duidelijker zouden kunnen maken dat de getallen geen optelsom vormen?
Was het in het gesprek met uw stakeholders uitlegbaar welke marges u hanteert en dat de marges die voor de IBW werden gebruikt de ondergrenzen van het WSW zijn? Kunt u ons adviseren hoe wij dit duidelijker zouden kunnen communiceren?

Wat betreft uw laatste notie over eventuele onjuiste brongegevens: de gegevens zijn in principe gecontroleerd door een accountant en Corpodata. In 2016 is één tikfout geconstateerd, die daarna meteen in de IBW gecorrigeerd is. Wel zullen we nadenken over hoe we corporaties kunnen voorbereiden op de nieuwe IBW. We staan open voor uw suggesties.

Voor wat betreft de drie gezamenlijke huurdersverenigingen van Stichting Woonconcept gevestigd in Meppel, Steenwijk en Hoogeveen, was de IBW slecht bruikbaar. De totale bestedingsruimte van Woonconcept zou op 71,3 miljoen euro uitkomen. Voor Meppel zou dat indicatief 26 miljoen zijn, voor Hoogeveen 22.7, en voor Steenwijk 18.8.

Woonconcept gaf echter aan dat ze tot aan het borgingsplafond van het WSW zat en niets kon besteden.
Na gesprekken, die mede door de prestatieafspraken gevoerd zijn, is er wel wat beweging in gekomen. De IBW zoals die door het ministerie werd genoemd kon echter bij lange na niet als basis gebruikt worden voor de mogelijkheden van Woonconcept. Eén van de argumenten van het WSW was dat bij gebruik van de bestedingsruimte alle of minstens één van de financiële ratio's tot op de aller laagst geaccepteerde niveaus zouden komen en dat is allerminst wenselijk.

Bij een volgende ronde zou het prettig zijn als er, in ieder geval voor huurdersverenigingen, een in heldere taal gestelde beschrijving zou zijn als handleiding hoe de cijfers te interpreteren. Bij voorkeur gezamenlijk met, of afgestemd met het WSW zodat voor huurdersorganisaties duidelijker wordt wat echt kan. Onze huurdersorganisatie heeft met dit instrument in handen niet ervaren dat er een stevige positie ingenomen kon worden, omdat er teveel onduidelijkheden waren c.q geïntroduceerd werden, die van onze kant niet met argumenten weerlegd konden worden. Dit gold overigens ook voor de gemeente.

Bert Robbe, Huurdersvereniging Meppel

Dank voor deze heldere uiteenzetting. Zijn er huurdersorganisaties en gemeenten die zich hierin herkennen? Wat zou een handleiding bij de IBW moeten bevatten om de cijfers te kunnen interpreteren en in positie te komen?

Overigens is de IBW bedoeld om het gesprek op gang te helpen en om te laten zien wat in uiterst geval mogelijk is: om te zien of de corporatie niet iets meer zou kunnen doen en huurders en gemeenten daar enig inzicht in te bieden. Daarmee is het gesprek over de mogelijkheden niet af, maar daar begint het pas mee. U geeft aan dat de IBW slecht bruikbaar was, maar dat er in uw gesprekken toch beweging kwam. Wij zijn benieuwd waardoor die beweging is gekomen. Kunt u dat toelichten?

Uw tips over hoe wij duidelijker kunnen maken hoe de cijfers te interpreteren nemen wij graag mee ter verbetering van de IBW in 2017.

Het IBW geeft op zichzelf onvoldoende informatie om te beoordelen of de corporaties een redelijke bijdrage kunnen geven aan de uitvoering van het gemeentelijk woonbeleid. Corporaties hanteren eigen normen die strenger zijn en voor je het weet belandt je in de discussie over de juistheid van zowel die strengere normen als de IBW. Volgens de eigen normen is de bijdrage dan redelijk, maar volgens het IBW kan er meer. Een discussie levert dan niets op. Wij zoeken een manier om op een goede constructieve wijze hierover met elkaar te overleggen.

Gert van Putten, Bestuursadviseur Wonen (gemeente Arnhem)

Dank voor uw reactie. De IBW is ook niet bedoeld om het definitieve antwoord te geven over wat redelijk is, maar als begin van een gesprek over wat er mogelijk is en welk beleid de corporatie hanteert. Het is natuurlijk nog mooier als u de IBW helemaal niet nodig hebt om tot goede afspraken met elkaar te komen.

Met dank aan de bijzonder lage rente blijkt de ruimte om te investeren in nieuwbouw bijzonder groot te zijn: €37,1 miljard voor alle corporaties tezamen. Dit was veel en was wellicht ook schrikken. Er kunnen toch nooit in één jaar 245.000 nieuwe corporatiewoningen gerealiseerd worden? Nee, dat kan ook niet. Het is van belang om de komende tijd te bezien hoe dit instrument kan worden verbeterd zodat het gebruik toeneemt. Mij lijkt dat een meerjarige berekening van de ruimte de bruikbaarheid zal vergroten. Niet wat de ruimte in één jaar is, maar gemiddeld over de komende vijf of tien jaar. Aan dat inzicht is grote behoefte.

Al vanaf het moment in 1997 dat het toezicht op corporaties bij de gemeenten is weggehaald en er tussen corporaties en gemeenten prestatieafspraken gemaakt dienen te worden, was de vraag aan de orde: hoe lang is de financiële polsstok van de corporatie? Met de nieuwe Woningwet is de behoefte aan dit inzicht nog verder toegenomen. Gemeenten en bewonersorganisaties hebben meer transparantie nodig om hun rol goed te kunnen vervullen. De indicatieve bestedingsruimte geeft voor het eerste dat inzicht. Daarom is het een mijlpaal.

Johan Conijn, Ortec Finance

Dank voor uw reactie. Herkennen corporaties, gemeenten en huurdersorganisaties zich erin dat een meerjarige berekening een bruikbaarder beeld zou geven van de bestedingsruimte? Kunt u praktijkvoorbeelden geven die laten zien dat de IBW de aanzet is tot een gesprek? En op welke manier dat gebeurt?

IBW is belangrijke stap in het kader van transparante corporaties. Aan de huidige IBW kleven echter diverse bezwaren, die overigens al breed gecommuniceerd zijn. Het gaat onder meer om de volgende bezwaren:
- De drie gepresenteerde typen bestedingen sluiten elkaar uit; als voor de ene type besteding gekozen wordt vervalt de ruimte voor de andere twee typen. Dat wordt regelmatig over het hoofd gezien.
- De bedragen suggereren dat de gehele bestedingsruimte in 2017 aangewend kan worden, wat niet realistisch is.
- Het WSW en de Aw kunnen nadere eisen aan de corporatie stellen die niet in de IBW-bedragen zijn meegenomen.
- De bedragen zijn zonder specifieke hulpmiddelen (rekenpakketten) niet te herleiden tot de uitkomsten van bijvoorbeeld een meerjarenbegroting of tot de waarden en normen van de financiële ratio’s die WSW en Aw hanteren in hun (nieuwe) beoordelingskader.
- De naar rato verdeling van bedragen over de gemeenten in het werkgebied is niet realistisch.
Ik stel daarom de volgende aanpassingen voor de nieuwe versie voor:
- De ruimte voor nieuwbouw: het presenteren van enkel het bedrag heeft weinig zeggingskracht en wekt alom verwarring. Idealiter wordt het volgende aan de gemeente gepresenteerd: “vanaf 2018 is – ten opzichte van de laatste meerjarenbegroting en los van eventuele specifieke eisen die het WSW of de Aw stelt – een financieringsruimte beschikbaar ten behoeve van x extra nieuwbouwwoningen in het kerngebied. De kenmerken van dergelijke (referentie)woningen vindt u in bijlage y. Volledige aanwending sluit extra huurmatiging of extra investeringen in de bestaande voorraad uit.”
Toelichting: aantallen woningen zeggen veel meer dan euro’s. Het gaat ook niet om direct beschikbaar (kas)geld, maar om financieringsruimte volgens de algemene maatstaven van WSW en Aw. Dan kun je ook uitleggen dat die financieringsruimte er wel is, maar dat er waarschijnlijk nog geen of onvoldoende extra plannen en/of locaties in 2018 in het kerngebied (!) beschikbaar zijn. De formulering duidt ook op het feit dat je als stakeholder naar het ambitieniveau van de begroting en naar de positie van de eigen gemeente moet kijken (hoeveel nieuwbouw is in de begroting per gemeente opgenomen?).
- De ruimte voor renovaties: anders dan bij nieuwbouw is het voor renovaties veel moeilijker om referentiekenmerken te geven, omdat renovaties zeer uiteenlopend in omvang en kenmerken kunnen zijn. Voorts gelden hiervoor dezelfde kanttekeningen (m.b.t. financieringsruimte etc.) als bij nieuwbouw en liggen de bedragen in dezelfde orde van grootte. Dit bedrag kan o.i. beter weggelaten worden; het voegt weinig tot niets toe.
- De ruimte voor huurmatiging: ook dit bedrag heeft nu weinig zeggingskracht. We stellen de volgende tekst in de brief aan de gemeenten voor: “Er is ruimte om vanaf 2018 de gemiddelde jaarlijkse huuraanpassing – ten opzichte van de aanname in de meerjarenbegroting – met x%punt te verlagen, òf: ruimte om vanaf 2018 het niveau van de streefhuren – ten opzichte van de aanname in de meerjarenbegroting – gemiddeld met € y te verlagen. Volledige aanwending sluit extra investeringen uit.”
Toelichting: met de voorgestelde cijfers (huuraanpassing, streefhuren) kunnen stakeholders veel beter uit de voeten. Zo kun je ook aangeven dat de ruimte voor huurmatiging aangewend kan worden voor zittende huurders (via een verlaging van de jaarlijkse huuraanpassing) en/of voor de nieuwe huurders (via de streefhuuraanpassing).
Op deze manier kan ook beter een relatie met de Transparantietool gelegd worden.

Peter van Os, RIGO

Dank voor uw reactie. We zijn benieuwd of corporaties, gemeenten en huurdersorganisaties inderdaad behoefte hebben aan het concreter maken van de IBW met nieuwbouwaantallen en percentages huurverlaging?

Zijn er praktijkvoorbeelden die als illustratie kunnen dienen?

We horen die behoefte hier en daar wel in informele situaties, maar echte praktijkvoorbeelden kennen we niet. We horen vaker in onze praktijk dat gemeenten (nog) niets met de IBW-cijfers doen. Het zou goed zijn om het idee een keer te peilen onder gemeenten.

De IBW is een belangrijke stap op weg naar meer duidelijkheid voor huurders(organisaties) over de mogelijkheden voor woningcorporaties om verantwoord initiatief te nemen voor huurverlagingen, nieuwbouw en verbeteren van de duurzaamheid(renovatie).
Bij huurders bestaat al langer de indruk dat door de huurverhoging (ver) boven inflatie, de huurverhoging bij mutatie en het (grotendeels)doorberekenen van verhuurderheffing in de jaren 2013-2016 de financiële positie van de corporaties drastisch is verbeterd. Maar hoe? Dat is met de huidige 'openheid' nog niet na te gaan. Wat kost verdere huurmatiging een woningcorporatie in gewone euro's? Hoeveel woningen kan een corporatie (bij voldoende locaties) WEL bouwen? Of welk bedrag is gemoeid met versneld Nul op de Meter?
De bedragen van minister Blok (afkomstig van de corporaties) schijnen niet te kloppen, maar welke corporatie geeft wel de juiste bedragen?
Zowel de minister, de WA als de corporaties hanteren bovendien een extra-marge, voor bij tegenvallers. Geheel onterecht. De nu gehanteerde marges zijn geformuleerd door adviseurs van het ministerie uit kringen van woningcorporaties, financiële deskundigen en wetenschappelijke onderzoekers. Voor zover ik kan nagaan zwarenn dat geen financiële waaghalzen. De gehanteerde marges lijken mij voldoende safe en zullen financieel malheur echt wel voorkomen. Extra-marges zouden nodig zijn om tegenvallers op te vangen. Maar waar zijn er ook marges bij meevallers (bijvoorbeeld rente-ontwikkelingen?).
Willen corporaties echt duidelijk willen worden over hun financiële positie dan zullen ze actiever en transparanter over hun financiële positie moeten communiceren. De sociale huisvesting vereist een actief beleid om schade door bovenmatige huurverhogingen en verhuurderheffing terug te dringen. dat versterkt ook de maatschappelijke positie van de corporaties, zeker bij huurders.

Dank voor de reactie. We zijn benieuwd hoe corporaties dit zien: zijn de marges van het WSW inderdaad veilig genoeg?

De Indicatieve bestedingsruimte woningcorporaties geeft een beeld van de maximale leencapaciteit van een woningcorporatie. Het is daarmee voeding voor het lokale gesprek over de prestatieafspraken. In de meeste gevallen blijft de inzet van het gesprek ongewijzigd. In een enkel geval was het een aanleiding om meer investeringen te vragen van de corporatie.

Uiteraard zijn er ook verbeterpunten voor 2017. Corporaties die wij spraken vonden het lastig dat er één cijfer werd gepresenteerd omdat hiermee de suggestie wordt gewekt dat de corporatie dit bedrag direct beschikbaar heeft voor investeringen. Het zou goed zijn om een norm te noemen die de corporaties als buffer moeten aanhouden (voor bijvoorbeeld rentewijzigingen of derivaten) om niet kopje onder te gaan. Gemeenten en huurdersorganisaties gaven aan dat het lastig was om het cijfer te duiden.

De cijfers laten zien dat de verschillen in bestedingsruime tussen corporaties onderling groot zijn; ook per gemeente en woningmarktregio zijn de verschillen groot. De discussie over matching van volkshuisvestelijke middelen komt hierdoor in een ander daglicht te staan. Verschillende corporaties hebben Platform31 gevraagd om de discussie hierover op gang te brengen. Dit gaan wij doen.

Hamit Karakus (algemeen directeur Platform31)

Dank voor uw reactie. De IBW gaat vergezeld van tekst en uitleg over hoe het cijfer te interpreteren is en hoe het gebruikt kan worden in het lokale proces. Onderdeel daarvan is onder andere duiden dat de bedragen niet direct beschikbare middelen zijn en dat er een verschil kan zijn tussen de normen van het WSW en de financiële buffers die de corporatie zelf aanhoudt in haar eigen beleid. Uit uw reactie en die van anderen maken wij op dat deze toelichting niet altijd de gebruiker bereikt. Op welke wijze zou daar verbetering in gebracht kunnen worden? Wat zou een handleiding bij de IBW moeten bevatten om de cijfers beter te kunnen interpreteren en beter op de hoogte te zijn van de beperkingen van het cijfer?

Wat heeft de indicatieve bestedingsruimte woningcorporaties (IBW) ons na publicatie gebracht?

1. Het instrument houdt geen rekening met specifieke corporatiekenmerken. Een voorbeeld zijn woningen die zijn verkocht onder voorwaarden (bij Woonbron bijna 9.000), waarvoor de corporatie een terugkoopvoorziening aanhoudt. Door de IBW ontstaat het beeld dat de bedragen per direct en met zekerheid beschikbaar zijn. Dit is dus niet het geval.

2. Het is een momentopname, die direct alweer achterhaald is, zeker dit jaar. Dit jaar herijken veel corporaties hun (voorraad)beleid fors, aangespoord door de scheiding daeb / niet-daeb.
Dat leidt er direct toe dat de gepresenteerde cijfers geen betrouwbaar beeld meer geven voor de toekomst.

Op basis van vertrouwen gaan we met gemeenten en huurdersorganisaties in gesprek. Over wat nodig is en (daarna) wat kan. Deze IBW voedt juist wantrouwen. Dat doet onvoldoende recht aan het uitgangspunt die gesprekken open en transparant te voeren.

Actuelere en corporatiespecifiekere informatie zou de bruikbaarheid van de IBW fors verhogen.

Dank voor uw reactie. Het is de bedoeling geweest een vergelijkbare bestedingsruimte te presenteren: voor elke corporatie is dezelfde formule gehanteerd waaruit een indicatieve ruimte komt. Dat het beleid van corporaties – of dat nu de scheiding van het bezit, de verkoop onder voorwaarden of het aanhouden van andere marges is – invloed heeft op de daadwerkelijke bestedingsruimte en hoe vanuit die bestedingsruimte invulling kan worden gegeven aan de lokaal geformuleerde opgave, dat is het gesprek dat gevoerd moet worden. Waar zit het door de IBW gevoede wantrouwen in? Zou een betere timing in de cyclus helpen? Welke informatie is extra nodig om het gesprek met huurders en gemeenten te voeren? En moet die informatie van BZK komen of kan de corporatie dat goed uitleggen?

Het wantrouwen wordt gevoed door het cijfer op zich: als corporatie zit je dan dus vanuit de verdediging in een gesprek, niet meer vanuit gelijkwaardigheid.

De timing kan daarbij zeker anders kunnen. Nu is de IBW in juni gebaseerd op de dPi van december, die weer gebaseerd is op de begroting die ruim daarvoor is opgesteld. Dat leidt er toe dat de IBW bijna per definitie achterhaald is. Zeker omdat de eerste beslissingen voor het bod al weer ruim voor publicatie van het IBW genomen moeten worden. Dat alles bemoeilijkt het gesprek.

Dank! We nemen de timing van de IBW zeker mee voor komend jaar. Verder zijn alle concrete aanbevelingen om de begeleiding dan wel presentatie van de IBW te verbeteren natuurlijk welkom!

De IBW is een goed instrument om de discussie met de Gemeenten op gang te brengen over de financiële polsstok van de corporatie. Doordat het wordt gepubliceerd door een 'onafhankelijke' instantie is de discussie over de juistheid van de cijfers beperkt. De IBW zoals die dit jaar is gepubliceerd bevat wel een belangrijk risico, dat ook in andere reacties is benoemd; de ruimte is gebaseerd op de absolute ondergrenzen van de financiële kaders van het WSW. Het toepassen van een veiligheidsmarge zou beter zijn.
Ik ben het eens met de reacties die vragen om een nadere toelichting voor de gebruikers. Het is onvoldoende duidelijk dat de drie waarden niet bij elkaar opgeteld kunnen worden, dat het geen geld is wat 'op de plank' ligt en dat bij eventuele inzet van de gehele ruimte het 'tafelzilver' op is; sommigen dachten dat een jaar later weer eenzelfde soort ruimte vrijkomt.
Voor de huurderorganisaties is het een lastig instrument. Dit heeft te maken met de complexiteit van de materie. Een heldere toelichting kan hierbij helpen. Succesfactor hierbij is geen vakjargon en geen ambtelijke taal!

Dank voor uw reactie. De IBW gaat vergezeld van tekst en uitleg over hoe het cijfer te interpreteren is en hoe het gebruikt kan worden in het lokale proces. Onderdeel daarvan is onder andere duiden dat de bedragen niet direct beschikbare middelen zijn en dat er een verschil kan zijn tussen de normen van het WSW en de financiële buffers die de corporatie zelf aanhoudt in haar eigen beleid. Uit uw reactie en die van anderen maken wij op dat deze toelichting niet altijd de gebruiker bereikt. Op welke wijze zou daar verbetering in gebracht kunnen worden? Wat zou een handleiding bij de IBW nog meer kunnen bevatten om de cijfers beter te kunnen interpreteren en beter op de hoogte te zijn van de beperkingen van het cijfer, naast de reeds door u gedane suggesties?

Binnen de bepaling van de IBW dient de ICR als norm te worden herzien. Primaire dient de operationele kasstroom te worden gebruikt om de niet rendabele investeringen intern te financieren, ten einde te borgen dat de toekomstige rentelasten niet groter worden dan de exploitatie opbrengsten. Het lijkt voor de hand te liggen de investeringen in de bestaande voorraad en duurzaamheid zichtbaar in aftrek te nemen op de operationele kasstroom, zodat de vrije middelen uit exploitatie weer adequaat kunnen worden bepaald. Investeringen in de bestaande voorraad en duurzaamheid borgen tevens de kwaliteit en daarmede de toekomstige verhuurbaarheid van de vastgoedportefeuille. De ICR kan beter worden gedefinieerd als een 'gecorrigeerde ICR', waarbij deze investeringen gelijk aan de exploitatie uitgaven en de rente van de financiering in aftrek wordt genomen van de huuropbrengsten. Een hierbij te hanteren normwaarde van 1,0 lijkt hierbij voldoende voorzichtig.

Bij afstemming met gemeenten over de (on)mogelijkheden om bij te dragen aan de volkshuisvestelijke doelstellingen op het terrein van Betaalbaarheid, Beschikbaarheid en Duurzaamheid (zowel in kwaliteit van bezit als op het terrein van energetische waarde vanuit bezit) draait het primair om vertrouwen om tot een gezamenlijke visie te komen, hoe de vrije kasstromen van de corporatie binnen het werkgebied kunnen worden ingezet. Hierbij kan ook worden nagegaan of deze middelen binnen een gegeven volkshuisvestelijk karakter verder kunnen worden vergroot. Een eenvoudige schematische weergave van de kasstromen kan worden gebruikt in de onderlinge afstemming en communicatie. Hierbij kan zelfs de inzet op betaalbaarheid meer duidelijk worden gemaakt, hetgeen tevens zal bijdragen aan een grotere legitimiteit van deze corporatie en daarmede uiteindelijk ook van het bestaansrecht van de sector op de meer lange termijn.

De beoordeling van de betaalbaarheid aan de hand van het gevoerde huurbeleid, de efficiënte en doelmatigheid aan de hand van de exploitatie uitgaven, de aflossingen op de leningenportefeuille gegeven het risicoprofiel en de (on) mogelijkheid om additioneel meer te verkopen, bepalen primair de omvang en inzet van middelen om te investeren in de bestaande voorraad, in een meer duurzame vastgoedportefeuille (zowel qua kwaliteit als ook qua energetische waarde) en in eventuele nieuwbouw betaalbare huurwoningen. Dat middelen ook worden ingezet om betaalbaarheid te borgen daar waar de markt faalt, lijkt op voorhand legitiem. Echter middelen in te zetten op activiteiten daar waar (ook) de markt opereert lijkt op voorhand discutabel en dient naar mijn mening zelfs te worden voorkomen, omdat deze primair ten koste gaat van de mogelijkheid om deze middelen in de zetten voor de primaire volkshuisvestelijke doelen.

Ofwel primair uitgaan van een op een eenvoudig manier weergegeven schematische opzet van de (begrote) kasstromen en de gezamenlijk gedefinieerde opgaven binnen het werkgebied, leiden m.i. tot een meer simpele benadering van de bepaling van de vrije middelen en de mogelijkheid om deze op andere volkshuisvestelijke terreinen in te zetten ... ofwel 'Keep it simple, if it can be simple' & 'wees alert als men iets moeilijk gaat maken, wat makkelijk is'!

Arnold Pureveen (directeur-bestuurder Woonzorg Nederland).

Dank voor uw reactie. ‘Keep it simple, if it can be simple’ lijkt een goed uitgangspunt voor het lokale overleg. Hebben gemeenten, huurders en andere corporaties daar ervaringen mee? Kan de Transparantietool van Aedes daar ook voor gebruikt worden?

Deze maand hebben we overleg met de gemeente over het bod op de woonvisie, de prestatieafspraken en onze meerjarenbegroting. De gemeente vraagt ons onder andere op welke wijze wij de IBW hebben verwerkt in onze portefeuillestrategie. Een terechte vraag, maar wel een tamelijk grote stap. We gaan dit uitleggen door te starten met de woonvisie, hetgeen we willen bereiken en welke middelen we daarvoor nodig hebben en beschikbaar hebben. De IBW geeft hierin inzicht, zij het dat de IBW modelmatig is bepaald en dat er daardoor afwijkingen zijn in de eigen situatie. Verder is de IBW gebaseerd op gegevens en informatie die inmiddels is achterhaald. Dit kan niet anders, maar het is wel goed om dit te beseffen. Zoals bij de IBW is uitgelegd is de IBW geen wet van meden van perzen. Wel geeft de IBW in onze situatie aan dat er financiële ruimte is en die is er ook. Aan ons de taak om uit te leggen op welke wijze we de ruimte hebben ingezet, welk deel van de ruimte we hebben ingezet en waarom we dat hebben gedaan.

Met de mitsen en maren die bij de IBW horen is de IBW bruikbaar in het overleg tussen gemeente en corporatie als beide partijen ook goed beseffen wat deze mitsen en maren zijn en waarom ze er zijn. Verbeteringen kunnen naar mijn idee zijn het beter naar voren brengen van de relativiteit van de IBW (nu wordt naar de cijfers gekeken en die worden als absolute waarheid aangenomen), wellicht een beknopte gevoeligheidsanalyse opnemen op basis van de meest recente ontwikkelingen, opnemen van de relatie met de portefeuillestrategie en wat hierin leidend is. Nu kan de indruk worden gewekt dat het bedrag dat uit de IBW komt leidend is, maar dat zouden uiteraard de woonvisie van de gemeente en de doelstellingen van de corporatie moeten zijn.

Hans van den Bos (manager financiën bij Woonstede)

Dank voor uw reactie. We hebben getracht een zo duidelijk mogelijke toelichting bij de publicatie van de IBW te voegen. Gezien de reacties blijkt dat niet in alle gevallen goed te zijn overgekomen. Uw suggesties worden meegenomen bij deze evaluatie.

Dank voor uw reactie. De IBW gaat vergezeld van tekst en uitleg over hoe het cijfer te interpreteren is en hoe het gebruikt kan worden in het lokale proces. Onderdeel daarvan is onder andere duiden dat de bedragen niet direct beschikbare middelen zijn en dat er een verschil kan zijn tussen de normen van het WSW en de financiële buffers die de corporatie zelf aanhoudt in haar eigen beleid. Uit uw reactie en die van anderen maken wij op dat deze toelichting niet altijd gelezen of begrepen wordt. Op welke wijze zou daar verbetering in gebracht kunnen worden? Wat zou een handleiding bij de IBW nog meer kunnen bevatten om de cijfers beter te kunnen interpreteren en beter op de hoogte te zijn van de beperkingen van het cijfer?

De IBW heeft geen enkele rol gespeeld in het gesprek dat al gestart was met gemeente Rotterdam en de Huurdersvereniging Rozenburg (HVR) om te komen tot prestatieafspraken. Ressort Wonen had voorafgaand aan de publicatie van de IBW de ook door de minister en VNG omarmde TransparantieTool gebruikt om in beeld te krijgen wat kan, en wat de effecten zijn van prestatieafspraken op de financiële ratio's van de corporatie. De TransparantieTool kan zeker verder ontwikkeld worden, maar laat geen 'gat' liggen dat de IBW opvult. Gemeente en HVR reageerden ook positief op de TransparantieTool omdat deze handelingsperspectief geeft: je voert het gesprek over wat nodig is(Woonvisie) en draait ondertussen aan de knoppen om te zien wat kan (Fin ratio's). Die toegevoegde waarde heeft de IBW niet.
Het is goed dat de minister een rol heeft in de informatievoorziening indien er lokaal onvoldoende transparantie, vertrouwen of gedeeld beeld over de feiten zou zijn. Maar dat hoeft voor mij niet te betekenen dat iedereen ieder jaar een behoorlijk abstract getal aangeleverd krijgt. Zijn er mogelijkheden om op aanvraag van locale partijen gegevens te verstrekken? Mogelijk dan met een 'expert-rol' vanuit het ministerie? Dat zou m.i. meer bijdragen aan goede locale samenwerking dan de huidige werkwijze.

Dank voor uw reactie. De IBW is ook niet bedoeld om het definitieve antwoord te geven over wat een corporatie nog kan investeren, maar als begin van een gesprek over wat er mogelijk is en welk beleid de corporatie hanteert. Het is natuurlijk nog mooier als u de IBW helemaal niet nodig hebt om tot goede afspraken met elkaar te komen. En dat in uw geval de Transparantietool als instrument voor de effecten werkt, is prachtig.

De IBW is gebaseerd financieringsruimte tot aan een van de grenzen van de WSW-parameters. Geen corporatie wil bij die grenzen komen. De Autoriteit Woningcorporaties heeft er eveneens op gewezen dat dit vanuit risico-oogpunt onwenselijk is. Op basis van een eigen risicoprofiel houden we als corporatie marges ten opzichte van die grenzen. Bij het maken van de prestatieafspraken heeft de IBW geleid tot extra uitleg over de financiële huishouding van corporaties en vervolgens tot begrip voor de keuzes die we maken. Gemeenten en huurders concludeerden dat het IBW een onbruikbaar instrument is. De bijdrage van corporaties aan de prestatieafspraken kan veel beter worden gedaan op basis van wat nodig en wenselijk is binnen de gemeente. Een instrument dat de financiële positie van de corporaties transparant maakt, is daar prima bij te gebruiken, onder voorwaarde dat het de juiste inzichten geeft. Bij de IBW is dat helaas niet het geval.

Dank voor uw reactie. Bij de IBW is uitleg gegeven hoe die tot stand is gekomen, waar hij voor gebruikt kan worden en wat daarbij de beperkingen zijn. U stelt, dat “Bij het maken van de prestatieafspraken heeft de IBW geleid tot extra uitleg over de financiële huishouding van corporaties en vervolgens tot begrip voor de keuzes die we maken.”Dat is nu wat de IBW ook beoogt. Dat er een gesprek plaatsvindt tussen corporaties, gemeente en huurdersorganisaties. Heeft u overigens suggesties de IBW zo aan te passen dat deze wel bruikbaar is?

De informatie over de IBW heeft slechts verwarring opgeleverd. Doorn drie grootheden naast elkaar te zetten is het onduidelijk wat de bestedingsruimte is.

Dank voor uw reactie. Suggesties?

Wij zijn al jaren met de gemeente en huurdersorganisatie in gesprek over onze bestedingsruimte. Wij vinden het IBW hierin te weinig toegevoegde waarde hebben en juist verwarrend werken. Wij hebben daarom bij het bod op de woonagenda een bijsluiter over IBW gevoegd. Daarin hebben we geprobeerd te duiden wat er wel of niet staat, wat de "bijwerkingen" kunnen zijn én hebben we de verbinding gelegd met onze manier van werken en cijfers. De gemeente en huurdersorganisatie waardeerde dit zeer.

Hieronder tekst van onze bijsluiter waarmee het ministerie de IBW hopelijk kan verbeteren:

"Wij informeren u al jaren elk jaar transparant en uitputtend over onze financiële positie, onze investerings- en bestedingsruimte, onze plannen én onze prestaties. Wij gebruiken daarbij precies dezelfde instrumenten in overleg met u als we intern hanteren (vooral de Kaderbrief). Dit jaar hebben we op onze stakeholdersbijeenkomst bovendien voor het eerst gebruik gemaakt van het Transparantiemodel (Aedes). Wij nodigen u jaarlijks uit, gelukkig nooit tevergeefs, om te reageren. Wij nemen uw reacties altijd mee in onze definitieve plannen. Een jaar later verantwoorden wij ons daar dan weer over.

In ons overleg met u over deze informatie, leggen wij uit welke (beleids-)principes, kaders en risicobuffers wij hanteren. Dat gaat specifiek over Alphen aan den Rijn, wonenCentraal, “onze” huurders, woningzoekenden en woningmarkt. Samen met u en andere belanghebbenden gaan wij op grond daarvan elk jaar na hoe wonenCentraal moet omgaan met de beschikbare middelen. Tot op heden, menen wij, gaat dat kritisch en met goed gevolg. En zo dragen wij al jaren naar vermogen en “in redelijkheid” (zoals dat nu in de Woningwet staat) bij aan de uitvoering van het lokale volkshuisvestingsbeleid.

Dit jaar is er voor het eerst door de minister een indicatie gegeven van onze bestedingsruimte. Op zich zijn wij groot voorstander van transparantie. Het is echter de vraag of deze indicatie daar zondermeer aan bijdraagt: de getallen laten zich lastig vergelijken met informatie die er al was. Dat heeft op zijn minst uitleg nodig. Er liggen nogal wat aannames aan de “indicatieve” bestedingsruimte ten grondslag. Aannames die veel grover en algemener zijn, dan die wij hanteren in onze periodieke informatie aan u. Op de site www.woningwet2015.nl staat een link naar de berekende bestedingsruimte van alle woningcorporaties. Daar zijn alle aannames, beperkingen en versimpelingen te vinden. In de toelichting op het model beslaat dat bijna 30 pagina’s. De belangrijkste op een rij:

De bedragen geven de (theoretische) maximale financiële ruimte aan. Het is geen “geld op de plank”. Het is een inschatting van alle theoretische toekomstige ruimte, als die in één klap in 2017 zou worden benut. Zonder rekening te houden met marges omdat de toekomst er misschien anders uit zal zien. Zo zijn zaken als de huursombenadering en een oplopende verhuurderheffing niet in de berekening meegenomen. Evenmin is gekeken naar wat nodig is om in de toekomst nog aan volkshuisvesting te kunnen doen. Ook de effecten op termijn, van keuzes nu zijn buiten beschouwing gelaten. De minister maakt niet voor niets zelf een heel stevig voorbehoud: uiteindelijk telt het oordeel van de toezichthouders ILT-Autoriteit Woningcorporaties en het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (dat jaarlijks een overzicht geeft van de feitelijk borgbare financieringsruimte).

De drie bedragen kunnen niet worden opgeteld. In zekere zin zijn het communicerende vaten. Maar dat zijn ze eigenlijk ook weer niet. Investeringen zijn iets anders dan huurmatiging. Bij investeringen liggen de ruimte aanzienlijk hoger dan bij huurmatiging. Investeringen genereren nieuwe kasstromen en voor investeringen wordt stevig bij geleend. Zo is een theoretisch maximum berekend voor de drie categorieën op dit moment (of eigenlijk een moment in het recente verleden).

De indicaties zijn ook volgens de makers van het model geen “waarheid”. Ze zijn bedoeld om als hulpmiddel voor gesprek over en het bepalen van:
• de noodzakelijke risico-buffers (lees: de echte verantwoorde bestedingsruimte),
• hoe om te gaan met het (potentiële) vermogen van de corporatie
• de lokale prioriteiten.

Juist dat deden we al, met eerder genoemde informatie en instrumenten, inclusief beredeneerde transparante kaders voor risicomarges en goed rentmeesterschap. En dat blijven we gewoon doen. De laatste jaren zijn we daar steeds preciezer en nauwkeuriger in geworden. En we zijn er steeds beter in geslaagd een en ander transparant te laten zien en uit te leggen. De “indicatieve bestedingsruimte” van de minister voegt daar eerlijk gezegd niet zoveel aan toe. Hoogstens de bevestiging dat wij dat altijd al eerlijk en zorgvuldig deden."

Dank. Dat is zeer waardevolle informatie. Zou u uw bijsluiter naar ons kunnen versturen zodat wij er eventueel uit kunnen putten voor de presentatie van de IBW in 2017? Ons emailadres is postbusibw@minbzk.nl.

Hartelijk dank voor uw alternatieve tekst voor de bijsluiter. Vele reacties bestaan er uit, dat de bijsluiter niet op alle punten helder genoeg is. We zullen uw tekst zeker meenemen bij de verdere evaluatie. Ik merk verder op, dat de IBW in uw geval wel bijdraagt aan meer transparantie ten opzichte van gemeenten en huurders. En dat is juist een van de doelen van de IBW.

Onderstaande bijdrage is namens Ymere:

Het IBW is een nieuwe stap in de transparantie van de corporatiesector. Het toont dat er grote verschillen tussen corporaties zijn in de mogelijkheden voor volkshuisvestelijke investeringen in Nederland. Daarnaast is het IBW lokaal een instrument dat helpt in het gesprek met gemeenten en huurderskoepels over keuzes maken. Het is niet zowel investeren in nieuwbouw en in renovatie en in huurverlaging. Een euro kan maar 1x worden uitgegeven. De publicatie van het IBW zet dit gesprek met gemeenten en huurdersorganisaties over deze prioritering verder in beweging. De verstrekte cijfers geven bij dit gesprek een indicatie van wat een corporatie zou kunnen doen. Er zijn immers altijd bedrijfsafwegingen (bv. hanteren van risico buffers, afspraken met toezichthouders, prestaties vanuit het verleden) of opgaven in andere gemeenten die ook een rol spelen in de bijdrage die een corporatie kan leveren aan de woonopgave in een gemeente.

Bij een volgende publicatie van het IBW vinden wij het belangrijk dat er wordt nagedacht over hoe de nuance in het verhaal gebracht kan worden. Een cijfer (zeker op nationaal niveau) blijft veel eenvoudiger in hoofden hangen dan een toelichting dat het om een potentiele leencapaciteit van een corporatie gaat. Verder is het belangrijk dat het effect van de scheiding DAEB/niet-DAEB goed in het cijfer wordt verwerkt.

Dank voor dit commentaar. Fijn om te horen dat de IBW helpt bij het vergroten van de transparantie in de sector en dat het gesprek erdoor in beweging wordt gezet. Dat is immers hoofdzakelijk waar de IBW voor bedoeld is. Aan wat voor nuanceringen moeten we denken? Of moeten we de nuanceringen beter benadrukken? Welke communicatiemiddelen zouden we daarvoor kunnen inzetten? Hoe zouden we het effect van de scheiding DAEB/niet-DAEB moeten uitleggen?

IBW was voor mij overbodig daar de corporatie gegevens voor mij al transparant waren. Het IBW is nu eigenlijk gebruikt voor politieke doelen,de corporatiewereld in een bepaald daglicht te stellen. Tot op de dag van vandaag weet de Minister Blok nog steeds te vertellen dat er zat geld is, kijk maar naar het IBW. Dat is een onvolwassen manier gezien de nuance die het IBW nodig heeft. Nog steeds roept de politiek dat het geld tegen de plinten klotst. Zonder IBW en met gegevens WSW en CFV kon ik prima beoordelen of er naar behoren werd geïnvesteerd. Gemeentes en huurdersorganisaties dienen bij het begin van een proces zoals werkplannen, begrotingen etc meegenomen te worden in het proces. Transparant. Dat gebeurt ook op vele plaatsen waar huurdersorganisaties en Gemeentes mee aan de knoppen draaien of gaan draaien om inzicht te krijgen wat maatregelen voor gevolg hebben op de financiële positie. Het zou de politiek, met name de Minister, sieren als ze niet blijven schoppen tegen organisaties vanwege politieke redenen,die elke 4 jaar kunnen wijzigen. Het Ministerie krijgt de prestatieafspraken bijvoorbeeld dus kan dan zien op welke manier de drie partijen de volkshuisvestelijke taak uitvoeren. De tool die Aedes hanteert, de transparantietool, geeft voldoende mogelijkheden om het lastige werk uit te voeren. En bedenk....sociale huisvesting is geen probleem maar eerder een oplossing in onze maatschappij.

Dank voor uw reactie. De IBW is niet in het leven geroepen om er politieke munt uit te slaan, maar o.a. transparantie bij corporaties te bewerkstelligen (verantwoording over wat zij kunnen doen). Voorts hebben ons signalen bereikt, in tegenstelling tot uw kennis van de financiën van corporaties, dat het voor huurdersorganisaties en gemeenten vaak niet helder is of de corporatie een maximale bijdrage levert aan het gewenste lokale volkshuisvestingsbeleid. De IBW is een indicatief getal dat organisaties kan helpen dat inzicht te verkrijgen. De Aedes tool is er voor, dat corporaties kunnen laten zien wat extra investeringen voor effect hebben op de financiële positie van de corporatie.

Woonconcept heeft bij haar bod op de woonvisie van de gemeente Meppel kanttekeningen geplaatst bij de door de minister verstrekte indicatie van haar extra bestedingsruimte, bovenop de al geprognotiseerde bestedingen. Zij stelt dat het in de praktijk (nog) niet mogelijk is om de indicatieve bestedingsruimte daadwerkelijk te benutten. Dit heeft enerzijds te maken met de vluchtstrookproblematiek en anderzijds met het borgingsplafond. Indien Woonconcept de investeringsruimte daadwerkelijk zou benutten, heeft zij geen veiligheidsmarges (vluchtweg) meer om eventuele risico ’s en onverwachte tegenvallers op te vangen. Bovendien wordt de investeringsruimte beperkt door het borgingsplafond van het Waarborgfonds Sociale Woningbouw. Ook de Autoriteit woningcorporaties vindt het beeld van een omvangrijke financiële ruimte bij woningcorporaties te positief.

Dit is de eerste keer dat de minister een overzicht van de indicatieve bestedingsruimte per gemeente en per woningcorporatie heeft verstrekt. Voor het maken van prestatieafspraken, zouden partijen (zowel de gemeente, woningcorporaties als huurdersorganisaties) ervan uit mogen gaan dat de door de minister verstrekte cijfers als input kunnen worden gebruikt voor deze prestatieafspraken. Dat is bij de huidige prestatieafspraken op basis van de herziene Woningwet helaas nog niet het geval. De verstrekte cijfers hebben daarvoor teveel discussie opgeleverd. Hopelijk zijn de volgend jaar te verstrekken cijfers niet meer omstreden en wordt de indicatieve bestedingsruimte daarmee een bruikbaar(der) instrument en hulpmiddel voor de tripartiet te maken prestatieafspraken.

Roelof Pieter Koning, wethouder wonen gemeente Meppel.

Doelstelling van dit kengetal is een bijdrage te leveren aan een objectieve basis voor het beoordelen van de financiële positie van de corporaties en hun investeringsmogelijkheden. Op basis hiervan kunnen vervolgens afspraken worden gemaakt over de inzet van de corporaties. Waarbij deze inzet maximaal invulling geeft aan de regionale/lokale woonopgave, rekening houdend met de financiële mogelijkheden van de corporaties. Uit de bespreking met de corporaties over de IBW bleek dat de corporaties de grondslagen en daarmee de uitkomsten hiervan zeer sterk relativeerden. En de gemeente overigens ook. M.a.w.: het werd niet (h)erkend als gezamenlijk gedragen basis voor het beoordelen van hun investeringsmogelijkheden. Om te voorkomen dat de positieve energie in het lopende proces verloren zou gaan door een discussie over de grondslagen van de IBW hebben gemeente en corporaties dit kengetal laten rusten. In het vervolg van het overleg over de prestatieafspraken voor 2017 heeft dit kengetal dan ook geen enkele rol meer gespeeld. Uitgewerkte kritiekpunten en suggesties voor verbetering:
1) Het kengetal maakt niet duidelijk wat in prestatiejaar X de investeringsmogelijkheden zijn. Het kengetal geeft daarmee te weinig houvast voor het maken van afspraken in prestatiejaar X. Aan te bevelen is het kengetal naar jaar uit te splitsen voor een periode van 5-10 jaar.
2) Het kengetal geeft het maximaal haalbare aan. Dat is iets anders als het maximaal wenselijke/verantwoorde. Verder is het de vraag of de Aw en/of het WSW soms niet strenger zijn dan de kengetallen die als input voor de IBW worden gebruikt. Op zijn minst zou er volledige duidelijkheid over de (eventuele) verschillen moeten zijn. Maar nog beter is het als de berekende investeringsruimte aansluit bij de normen van Aw/WSW, die immers in de praktijk bepalen wat corporaties mogen.
3) Inzetten op maximum geeft een verkeerd signaal. Corporaties horen prudent om te gaan met hun middelen. Suggestie: aangeven van bandbreedte tussen maximaal en “verantwoord”.
4) Kleine veranderingen in de grondslag zijn van grote invloed op de hoogte van het kengetal. Sommige corporaties hanteren strengere normen met het oog op onverwachte ontwikkelingen. Deze strengere normen leiden ertoe dat de berekende investeringsruimte fors omlaag gaat. Bijvoorbeeld: WSW gaat uit van LtV van 75%. Als corporatie uitgaat van 70% betekent dat bijna 30% minder investeringsruimte. Ook een andere norm voor de ICR heeft een groot effect. Een corporatie kan legitieme redenen hebben om dit te doen. Dit komt in kengetal onvoldoende tot uitdrukking. Dat kan tot discussie met de corporaties leiden die uiteindelijk niets opleveren, behalve tijdsverlies. Door corporatie en gemeente gezamenlijk werken met de Transparantietool is in dit opzicht wellicht beter bruikbaar, omdat hiermee meer aandacht komt voor de (beleidsmatige en financiële) afwegingen van een corporatie. DE IBW geeft alleen maar een getal.
5) De bedragen van de verschillende categorieën zijn niet optelbaar en onderling uitwisselbaar. Gebruik van financiële ruimte voor bijvoorbeeld nieuwbouw gaat ten koste van ruimte voor verbetering of huurmatiging. Dit is weliswaar aangegeven in de voorlichting, maar blijkt in de praktijk bij velen niet zo te leven. Daar moet in voorlichting meer aandacht aan worden gegeven.

Hartelijk dank voor uw reactie. Een aantal door u aangedragen kritiekpunten is ook naar voren gebracht door overige deelnemers aan deze dialoog. Het is duidelijk dat er nog het e.a.a. schort aan de betekenis en het gebruik van de IBW. In de nieuwe toelichting zullen we proberen nog duidelijker naar voren te brengen wat de (on)mogelijkheden zijn van de IBW.

Toen ik als lid van de Huurdersvereniging in een overleg met de Woningbouwvereniging zat en de indicatieve bestedingsruimte ter sprake bracht, werd dit meteen van de tafel geveegd. De cijfers zouden achterhaald , te weinig up-to-date zijn. Ik kan dit niet nagaan.

Dank. Voor uw reactie. Wij zullen proberen de toelichting zodanig in te richten dat u voldoende beslagen ten ijs in de onderhandelingen kunt komen.

De IBWheeft bij ons geen rol gespeeld bij de prestatieafspraken. Feitelijk zorgt het document alleen voor verwarring. Het vereist een gedegen uitleg om te snappen wat er staat. Belangrijkste problemen vind ik:
* het feit dat de drie genoemd ebedragen niet opgeteld kunnen worden. Ik snap de redenering er achter wel, maar voor bijvoorbeeld bestuurders is het lastig te beseffen dat het of of is.
* het werken met gemiddelde bedragen voor heel nederland niet handig. Onze corporaties rekenen bijvoorbeeld met andere bouwkosten per woning dan aangenomen in d eIBW.
* de peildata van de informatie. De dPI is relatief achterhaalde informatie tegen de tijd dat er gesproken wordt over het bod op de woonvisie. Bij ons bleken allerlei nieuwbouwprojecten niet in de dPI te zitten, waardoor de berekende ruimte al feitelijk belegd was door projecten waarover we al overeenstemming met elkaar hadden.
Tenslotte is natuurlijk de principiele vraag of de discussie tussen gemeente, huurdersverenigingen en corporaties vooral over geld zou moeten gaan. Ik blijf van mening dat het in eerste instantie moet gaan om het vaststellen van de gezamenlijke ambities en de bijbehorende maatregelen. Het geld volgt daarop. De IBW verlegt de focus wel erg nar de corporatiemiddelen.
Pieter van Haeften, gemeente Bodegraven-Reeuwijk

Dank voor uw reactie. Voor wat betreft de eerste drie punten verwijs ik u naar eerdere antwoorden: de toelichting proberen we zo in te richten dat helder is wat de betekenis en het gebruik van de IBW kan zijn. Voor wat betreft uw laatste punt is de ideale situatie, dat de gemeente een gemeentelijke woonvisie heeft en dat het bod van de corporatie daarop, gevolgd door gesprekken tussen gemeenten, corporaties en huurdersorganisaties, resulteert in tevreden prestatieafspraken. Indien er echter verschil van mening is over de bijdrage van de corporatie aan het gemeentelijk volkshuisvestingsbeleid kan de IBW een hulpmiddel zijn om de gesprekken daarover te leiden/los te trekken.

Consultaties

Indicatieve Bestedingsruimte Woningcorporaties (afgerond)

 

Vastgoed voor de Buurt (afgerond)


Scheiden en splitsen (afgerond)


Huurdersparticipatie (afgerond)

Blijf op de hoogte!

Wilt u een e-mail krijgen als er nieuwe reacties worden geplaatst? Login, klik onderaan deze pagina op ‘Abonneer’, vink ‘Inschrijven op deze pagina’ aan en klik op ‘Opslaan’.